08-08-2011

Recensie – Wild Park – Het onverwachte als opdracht

Fabian Takx

PDF

Recensie: Dierlijkheid in opdracht en openbare ruimte

Onlangs werd een reusachtige teddybeer van twaalf meter hoogte onthuld op het Staalmanplein in Amsterdam Nieuw West. Een beer met een kussen, alsof hij een plek zoekt om een dutje te doen. Wat kunstenaar Florentijn Hofman ermee wilde zeggen, is niet geheel duidelijk, maar het werd al snel een troetelbeer voor de buurt. Niet veel verder heeft Jeanne van Heeswijk met buurtbewoners een compleet park ontworpen. Het zijn allebei kunstvormen die alleen maar mogelijk zijn in een democratie die ervan afziet haar eigen denkbeelden dwingend op te leggen. De tijd dat een machthebber of nationale held ons vanaf een sokkel minzaam of vervaarlijk in de gaten hield, zijn voorbij. Maar wat moet je dan als ruimdenkend machthebber met je ‘openbare ruimte’? En waarom moet er zo nodig kunst komen? Over dat soort vragen buigt Jeroen Boomgaard zich in zijn essay Wild Park. Het onverwachte als opdracht. Door Fabian Takx.

Boomgaard is al bijna dertig jaar kunsthistoricus aan de Universiteit van Amsterdam. Sinds 2003 mag hij zich ook Lector Kunst en Publieke Ruimte aan de Gerrit Rietveld Academie noemen. Hij heeft maar negentig pagina’s nodig om alle dilemma’s van het verstrekken en invullen van kunstopdrachten voor de openbare ruimte (‘overheidsruimte’ zou beter zijn) te ontrafelen. Dat is knap, ook omdat hij er talloze filosofen bijhaalt, van Michel Foucault tot Slavoj Zizek. Bovendien weet hij er niet alleen bijzonder kernachtig over te schrijven, maar geeft hij zijn gecondenseerde proza ook lucht door ironische terzijdes. En door, jawel, heuse cliffhangers aan het eind van menig hoofdstuk, in de vorm van vragen als:

‘Waarom stelt de macht zichzelf niet onomwonden aanwezig met een vormgeving die geen ruimte voor twijfel laat en die afwijking afdoet als onzin? En wat of wie vertegenwoordigt de kunstenaar met zijn dubbelzinnige plaatjes, wie is gediend van dubbelzinnige kunst?’

Ongevaarlijke wilde dieren
Om de beantwoording van deze vragen is het Boomgaard te doen. En zijn opdrachtgever, het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, die hem verzocht het essay te schrijven ook. Boomgaard analyseert de moeizame positie van de overheid in een westerse polderdemocratie als de Nederlandse. Met symbolen van haar eigen macht kan ze niet aankomen, maar als ze een publieke ruimte met een kunstwerk markeert – in de woorden van de filosoof Michel de Certeau van een ‘ruimte’ een ‘plek’ maakt – moet dat toch iets te betekenen hebben.

Dan is bijvoorbeeld een beeld van een dier een mooie oplossing. Boomgaard wandelt met ironisch genoegen door die openbare dierentuin van steen en brons, van de uitvergrote puppy voor het abn Amrokantoor aan de Zuidas tot de haas in Utrecht en de hagedissen op het Leidseplein. Ogenschijnlijk niets-aan-de-handkunst, maar volgens de auteur vertegenwoordigt het dier in de kunst ook een ‘wilde’, ongrijpbare natuurkracht. Hij verwijst daarbij naar de haai of de koeienkop van Damien Hirst, die een stuk wilder zijn dan de relatief ‘tamme’ buitendieren, maar toch een tendens aangeven.

Want juist door zijn gebrek aan symboliek houdt het dierenbeeld iets ongrijpbaars, en dat is het ‘onverwachte’ waar de overheid van houdt. Want, zo begrijp ik Boomgaard althans, door het onverwachte ‘de ruimte te geven’ laat een overheid zien dat ze niet alles wil reguleren. Zo erkent ze dat er in een samenleving vele verschillende belangen spelen die allemaal de ruimte moeten krijgen. Zo mag uitgeleefd worden wat men ‘de universele individualiteit’ noemt, of ook wel ‘dissensus’, als het tegenovergestelde van consensus.

Dienstbare ruimten
Het moet alleen niet te gek worden, zoals Richard Serra in 1989 moest merken toen zijn 35 meter lange en 3,5 meter hoge sculptuur Titled Arc van een plein in New York werd verwijderd. Serra had zich weinig aangetrokken van de wensen van de omwonenden en zijn opdrachtgevers, integendeel, hij had juist zijn autonomie willen bewijzen met zijn eigenzinnige roestvrijstalen gebaar, en werd daarvoor bestraft.

Boomgaard laat met vaak inspirerende voorbeelden zien hoe de kunstenaar dienstbaar kan lijken en toch zijn eigen ei kan kwijtraken, van het Draaiend huis op een rotonde van John Körmeling tot de participatieprojecten van Jeanne van Heeswijk. Hoogtepunten vindt hij werken als Beautiful City van Maria Pask, een tent waarin alle godsdiensten van de wereld vertegenwoordigd werden, met als resultaat dat ze een voor een hun eredienst opvoerden. Of ME/Folly van Holger Nickisch, een schuurtje zonder duidelijke functie dat voortdurend door Amsterdam reisde.

Boomgaard is geen (voormalig) journalist als Anna Tilroe, die duchtig de trom roerde met haar pamflet De ja-sprong. Maar ook hij gelooft in de kracht van de kunst. Als wetenschapper houdt hij meer afstand, en bij het lezen van zijn concieze proza maken de hersens overuren. Maar de beloning is navenant.

Fabian Takx is freelance journalist en auteur.

Deze recensie is hier terug te vinden.